Close Menu
Agenda
21.04.2020Halfweg5e Bijeenkomst 1ste communie project 2020
12.05.2020Halfweg6e Bijeenkomst 1ste communie project 2020
18.05.2020HalfwegKindercatechese
19.05.2020SpaarndamKindercatechese
22.06.2020HalfwegKindercatechese
Bekijk alles
Parochieblad
Nieuwsbrief

“Dat ben Ik, die met u spreekt”

“Dat ben Ik, die met u spreekt”

Beste mensen, deze tijd, de veertigdagentijd, is een tijd om, nog meer dan anders, God op te zoeken of ons door Hem op te laten zoeken. En een persoonlijke relatie met Hem aan te gaan of te verdiepen.

Kent u het televisieprogramma 2 voor 12? Het is al jaren op TV. De kandidaten krijgen van Astrid Joosten 12 moeilijke vragen voor de kiezen. Je moet wel een wandelende encyclopedie zijn om alle vragen uit het hoofd te kunnen beantwoorden. Vorige week kwam bij één vraag de landkaart in beeld van het schiereiland tussen Egypte en Israël en Astrid Joosten vertelde erbij dat in het zuiden van het gebied de berg Horeb ligt, de berg waar God de 10 geboden aan Mozes heeft gegeven. Gelukkig wisten de kandidaten meteen de naam van het schiereiland: het was de Sinaï.

De berg Horeb wordt in de Bijbel de “berg van God” genoemd (Ex. 3,1 1 en 1 Kon. 19,8). Het is de plek om God te ontmoeten. Dat gold niet alleen voor Mozes, maar ook voor Elia later in de geschiedenis. Elia was op de vlucht en kwam na een tocht van 40 dagen op de Horeb. Van Elia hoefde het allemaal niet meer, maar hij krijgt nieuwe kracht als God in een zachte bries voorbij trekt en hem weer op weg stuurt. Ook het volk van Israël ziet het niet meer zitten en begint te protesteren. Dat was niet voor de eerste keer en het zou zeker ook niet voor de laatste keer zijn. Maar God is geduldig, laat Mozes en de oudsten naar de Horeb komen en Hij geeft hen water. Het volk zou daarna nog vele jaren in de woestijn moeten rondtrekken om geleidelijk aan God te leren kennen en om te leren vertrouwen op Hem.

Dat is wat de woestijn kan doen. Het zijn bijzondere plaatsen. Als u er zelf wel eens bent geweest of als u verhalen hoort van mensen die een tijdje in een woestijn hebben verbleven, dan blijkt dat zij dat vaak diep onder de indruk zijn. Het heeft iets magisch. Aan de ene kant dorheid, droogte, een extreem klimaat van hitte overdag en kou ’s nachts. Aan de andere kant is de woestijn door de eenzaamheid en stilte juist ook een plek waar je tot jezelf en tot God kunt komen.

Ook zonder ooit in een woestijn te zijn geweest, hebben veel mensen wel van tijd tot tijd, en soms helaas permanent, de ervaring dat ze in “een troosteloos dor land zonder water” zijn (ps 68). Het leven is kwetsbaar en er is veel dat ons als woestijnervaring kan treffen. Verlies van gezondheid en vitaliteit, het gevoel langs de kant van de samenleving te staan en er niet meer toe te doen, onbegrip of ruzie in de familie, armoede of noem maar op.

De Samaritaanse vrouw zit er ook flink doorheen. Geen zinnig mens komt namelijk op het heetst van de dag naar de put, tenzij je anderen wilt ontlopen. Ze komt niet alleen met haar kruik, maar torst een flinke bagage met zich mee van problematische relaties. Het laatste waar ze op dat moment behoefte aan heeft, zijn de afkeurende blikken en opmerkingen van haar dorpsgenoten.

Maar bij de put wacht Jezus al op haar. Het lijkt erop dat Hij bewust op dat moment naar die plek is gekomen om haar te ontmoeten en met haar alleen te kunnen praten. Zien we in het verhaal van de Israëlieten nog de beweging van de mensen naar de berg van God, naar een plaats waar God verblijft, in dit verhaal zien we dat God in de persoon van Jezus de mensen opzoekt en zich aan ons openbaart als de Messias. “Dat ben Ik, die met u spreekt”. Het is de eerste keer in het Johannesevangelie dat Jezus ronduit verklaart dat Hij de Messias is. En Hij zegt het tegen deze Samaritaanse vrouw. Dat is in meerdere opzichten opmerke­lijk. Ten eerste: Joden spraken niet met Samaritanen. Zij keken op hen neer. Ten tweede: binnen haar dorpsgemeen­schap was deze vrouw waarschijnlijk het mikpunt van roddel, achterklap en minachting.

De verbazing en aanvankelijke afstandelijkheid van de vrouw is dus goed te begrijpen. Jezus dringt zich echter niet op, maar weet haar hart te raken. Het gesprek mondt uit in de openbaring van Jezus als Messias. Dat kan niet zonder gevolgen blijven.

Wat gebeurt er als we Jezus persoonlijk ontmoeten en Hem leren kennen? De Samaritaanse vrouw laat het zien. Dan komen we tot leven, raken we vol vuur en enthousiasme, dan laten we ons verleden achter ons, verliezen we onze schroom en trekken we erop uit om het goede nieuws te delen. De Samaritaanse vrouw wordt ook wel de eerste evangelist(e) genoemd, omdat ze haar dorpsgenoten aansteekt met haar enthousiasme en zij daardoor Jezus opzoeken en ook tot geloof komen.

Dat is nogal wat. Is dat ook voor ons weggelegd? Kunnen wij zo’n relatie met Jezus hebben? Hoe doen we dat dan? Jezus zegt het ons zelf: vraag er gewoon om: “…u zou het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven”. Jezus is gekomen om ons levend water aan te bieden en Hij nodigt ons uit om Hem om dit water te vragen. Levend water is water dat beweegt, het stroomt, het is schoon en fris, verkwikt en geeft nieuwe energie. Levend water beweegt en zet mensen in beweging. Stilstaand water daarentegen raakt maar al te snel bedorven.

Gewoon vragen dus. Hoe simpel kan het zijn? Je hoeft er geen theologie voor te studeren. Wat wel nodig is, is dat we tijd en ruimte voor Hem maken. Tijd voor gebed. Gebed is relatie met God. Daarnaast zijn we gezegend met de sacramenten. In de eucharistie komt Jezus tot ons en wij tot Hem. Veel persoonlijker kan het niet worden. Laten we bidden dat de eucharistie ons telkens weer nieuw leven schenkt. En uiteraard hebben we Zijn Woord wat een rijke bron kan zijn als we ons daaraan laven door ernaar te luisteren en er regelmatig in te lezen. “Wie van Christus houdt, houdt van de Schrift”, zei één van de kerkvaders.

Beste mensen, we begonnen in de woestijn. Naast de negatieve woestijn­ervaring is er ook die andere kant van de woestijn. In de stilte en eenzaamheid van de woestijn leer je God kennen.
- Je komt er geen mens tegen, maar God is dichtbij.
- Er zijn geen hulpbronnen, maar God blijkt alles te zijn wat je nodig hebt.
- In de woestijn kun je makkelijk verdwalen, maar God wijst je de weg.
De woestijn is de plek waar je kunt leren om te vertrouwen op God.

En hoe doods en hopeloos is de woestijn eigenlijk? Levend water kan elke woestijn veranderen in een prachtige plek. De natuur laat het ons zien. Het regent niet vaak in de woestijn. Maar als het dan een keer regent, dan staat in de kortst mogelijke tijd de hele woestijn in bloei met de prachtigste bloemen. Leek het van tevoren of alle leven onmogelijk was, ineens is het een plek waar het leven uit zijn voegen barst en alles opleeft. Zo mag het ook met ons zijn als we ons in tijden van dorheid en droogte openstellen voor Jezus. Hij is al naar ons toegekomen en wacht op ons. Alles wat we hoeven te doen, is Hem om levend water te vragen.

 

EERSTE LEZING Uit het boek Exodus  Ex., 17, 3-7

Geef ons water om te drinken.

3 In die dagen,
   leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst.
  Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden
  „Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?"
4 Mozes klaagde zijn nood bij de Heer
  „Wat moet ik toch aan met dit volk? „Ze staan op het punt mij te stenigen."
5 De Heer gaf Mozes ten antwoord
  „Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit,
   neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg.
6 „Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb.
  „Sla op die rots er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken."
   Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten.
7 Hij noemde de plaats Massa en Meriba
   vanwege de verwijten der Israëlieten
   en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen:
   Is de Heer nu bij ons of niet?
 

EVANGELIE

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus

  volgens Johannes  (Joh.4, 5-42 of 5-15. 19b-26. 39a. 40-42

Een waterbron die opborrelt tot eeuwig leven.

5   In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd,
    dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
6   Daar bevond zich de bron van Jakob
    en vermoeid van de tocht ging Jezus zo maar bij deze bron zitten.
    Het was rond het middaguur.
7   Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar
    „Geef Mij te drinken."
8   De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen.
9   De Samaritaanse zei tot Hem
    „Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?"
    - Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen. -
10 Jezus gaf ten antwoord:
    „Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist wie het is, die u zegt
    Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd
    en Hij zou u levend water hebben gegeven."
11 Daarop zei de vrouw tot Hem
    „Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?
12 „Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?"
13 Jezus antwoordde haar:
    „Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst,
14 maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven,
    krijgt in eeuwigheid geen dorst meer;
    integendeel, het water dat Ik hem zal geven,
    zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven."
15 Hierop zei de vrouw tot Hem:
    „Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg
    en hier niet meer moet komen om te putten."
(16 Jezus zei haar
    „Ga uw man roepen en kom dan hier terug."
17 „Ik heb geen man",
    antwoordde de vrouw.
    Jezus zei haar „Dat zegt ge terecht : ik heb geen man ;
18 want vijf mannen hebt ge gehad,
    en die ge nu hebt is uw man niet.
    „Wat dit betreft, hebt ge de waarheid gesproken."
19 „Heer, - zei de vrouw -)
     ik zie dat Gij een profeet zijt.
20 „Onze vaderen aanbaden op die berg daar,
     en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet."
21 „Geloof Mij, vrouw, - zei Jezus haar, -
     er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
22 „Gij aanbidt wat gij niet kent;
     wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt.
23 „Maar er zal een uur komen, ja het is er al,
    dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid.
    „De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
24 „God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden."
25 De vrouw zei Hem
    „Ik weet dat de Messias - dat wil zeggen : de Gezalfde -
    komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen."
26 Jezus zei tot haar
    „Dat ben Ik, die met u spreek."
(27 Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug
     en zij stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw.
     Geen van hen echter vroeg
     „Wat wilt Ge van haar?" of „Waarom praat Gij met haar?"
28 De vrouw liet haar waterkruik in de steek,
    liep naar de stad terug en zei tot de mensen
29 „Komt eens kijken naar een man,
    die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb!
    „Zou Hij soms de Messias zijn?"
30 Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.
31 Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden
    „Eet toch iets, Rabbi."
32 Maar Hij zei hun „Ik heb een spijs te eten die gij niet kent."
33 De leerlingen zeiden tot elkaar
    „Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?"
34 Daarop zei Jezus hun
    „Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft
    en zijn werk te volbrengen.
35 „Zegt gij niet : Nog vier maanden en dan komt de oogst?
    „Welnu, Ik zeg u slaat uw ogen op en kijkt naar de velden;
    ze staan wit, rijp voor de oogst.
36 „Reeds krijgt de maaier zijn loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven,
     zodat zaaier en maaier zich samen verheugen.
37 „Zo is het gezegde waar : de een zaait, de ander maait.
38 „Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd;
    anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.)
39 Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem
    (om het woord van de vrouw die getuigde „Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.')
40 Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren,
    verzochten zij Hem bij hen te blijven.
41 Hij bleef er dan ook twee dagen
    en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof.
42 Tot de vrouw zeiden ze
    „Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt,
    want wij hebben Hem zelf gehoord
    en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is."